Artikel
Schrijf je rechts of schrijf je links?
Over verhalen schrijven met twee hersenhelften
?xml:namespace>
?xml:namespace>
Inleiding
?xml:namespace>
Creatief schrijven veronderstelt een wisselwerking tussen de rechter- en de linkerhersenhelft (voortaan R-L-wisselwerking), want schrijven is een combinatie van associatieve, intuïtieve en creatieve denkvermogens enerzijds, en planmatige, rationele en structurele denkvermogens anderzijds. Zo staat het althans in veel handboeken over schrijven en leren schrijven – en zo is ook mijn eigen ervaring met (leren) schrijven. Wanneer je deze wisselwerking ziet als een noodzakelijke voorwaarde voor creatief schrijven, in hoeverre kan en moet die dan een rol spelen in een cursus verhalen schrijven?
Om deze vraag te beantwoorden, zal ik eerst (1) ingaan op de premisse van de noodzakelijke R-L-wisselwerking. Waarom is die wisselwerking juist bij (leren) schrijven zo belangrijk? Vervolgens ga ik na (2) welke didactische methoden er zoal ontwikkeld zijn om aan de R-L-wisselwerking recht te doen. In een derde paragraaf zoom ik in op de eigenheid van het korte verhaal en onderzoek ik de rol die beide hersenhelften kunnen spelen bij het proces van verhalen schrijven in het algemeen en bij het verhaalbegin in het bijzonder. Tot slot zal ik aangeven hoe je mijns inziens in een cursus verhalen schrijven recht kunt doen aan de R-L-wisselwerking, met ook daar speciale aandacht voor het verhaalbegin.
?xml:namespace>
?xml:namespace>
1. R-L-wisselwerking
?xml:namespace>
Begrippen
Als meest prominente pleitbezorger voor de wisselwerking tussen de creatieve en rationele denkvermogens geldt Gabriele Rico. In haar boek Writing the Natural Way
verwijst zij naar wetenschappelijk onderzoek waaruit is gebleken dat beide hersenhelften in het bewustzijnsproces een zeker specialisme hebben: de rechterhersenhelft (Design mind) is meer gericht op de fantasierijke, inventieve, niet logische, creatieve processen. De linkerhersenhelft (Sign mind) beheerst de meer rationele, logische, causale verbanden binnen het denkproces.
In schema:
?xml:namespace>
|
?xml:namespace>
Linkerhersenhelft
Sign mind
?xml:namespace>
houdt van orde
heeft routine nodig
recht op zijn doel afgaand
lokaal
opeenvolgend
voorgrond/eerste plan/delen afzonderlijk
bekende paden
korte versie
aanduidend
versmallen/verkleinen
volgorde
buitenkant/van buiten ergens tegenaan kijken
|
?xml:namespace>
Rechterhersenhelft
Design mind
?xml:namespace>
tolerantie voor chaos, dubbelzinnig
hang naar nieuwe dingen
ogen open voor meerdere wegen
globaal
ruimtelijk
achtergrond, holistisch, over het geheel genomen
nieuwe configuraties
het grotere verhaal
betekenis
vergroten, verwijden
Gestalt
binnenkant/van binnen naar buiten kijken
?xml:namespace> |
?xml:namespace>
Het onderscheid tussen beide denkvormen tref je vaak aan in literatuur over (leren) schrijven en er bestaat een veelheid aan termen om de bedoelde dichotomie aan te geven: vorming – vaardigheid
impulsief – reflectief
divergent - convergent
niet-planmatig – planmatig
klein – groot
intuïtief – rationeel
organisch – mechanistisch
flow – techniek
spontaan – bedacht
Rechts moet
Omdat, aldus Rico, schrijven een van de meest creatieve menselijke ondernemingen is, moeten we zo goed mogelijk de creatieve vermogens van onze rechterhersenhelft benutten. Om op een natuurlijke, creatieve manier te (leren) schrijven, moeten we toegang krijgen tot dat deel van ons brein dat we normaal gesproken niet associëren met schrijfvaardigheden. Contact krijgen met onze rechterhersenhelft stelt ons in staat om onze eigen unieke en natuurlijke stem te ontdekken, die onze eerste bron is van ons vermogen tot expressie.
Ook andere auteurs wijzen op de wenselijkheid om bij het schrijven de vermogens van de rechterhersenhelft te benutten en vooral ook op de noodzaak om in ieder geval tijdens het primaire schrijfproces de linkerhersenhelft het zwijgen op te leggen. De linkerhersenhelft fungeert bij het schrijven namelijk te veel als een censor. Met haar kritische blik is zij geneigd om alle teksten-in-wording met het oog van de eindredacteur te bekijken en zodoende geen ruimte te laten voor de creatieve fase, waarin de auteur als het ware als een spelend kind initiële tekst kan laten ontstaan.
Cocky van Bokhovenlegt uit dat de dominantie van de linkerhersenhelft niet alleen cultureel, maar ook ‘talig’ bepaald is: ‘De beide hersenhelften zijn met elkaar verbonden door een breed kabelsysteem van zenuwvezels, zodat zij hun informatie kunnen uitwisselen en samenvoegen om als een harmonieus geheel te functioneren. Ze vullen elkaar aan maar handhaven tegelijkertijd hun eigen denktrant. De rechterhersenhelft is dominant totdat de taal haar intrede doet. Vanaf dat moment wordt de linkerhersenhelft langzaam maar zeker de baas. Dat is niet alleen het gevolg van het feit dat onze opvoeding, ons onderwijs, kortom de hele samenleving, zich voornamelijk op de linkerhersenhelft richt. (…) Het is vooral de macht van de taal die de linkerhersenhelft de scepter laat zwaaien. Het probleem van het functioneren van de rechterhersenhelft is uiteraard dat ze niet talig is, daardoor wordt ze voor ons “begrip” en onze “logica” meteen minder toegankelijk.’
Bij (leren) schrijven hoort dus het toegang (leren) krijgen tot je creatieve rechterhersenhelft en (leren) je linkerhersenhelft voor enige tijd het zwijgen op te leggen.
?xml:namespace>
Links moet óók
Toch heb je als schrijver op enig moment ook de vermogens van je linkerhersenhelft nodig. Een tekst moet naar vorm en inhoud gemodelleerd worden tot een harmonieus en taalkundig correct geheel. Er moet geschaafd, geschrapt en omgegooid worden. Een tekst moet, meestal meerdere keren, herschreven worden. Tijdens het proces van herschrijven kan er weer behoefte zijn aan meer of andere creatieve inhoud en kan het nodig zijn ook weer een beroep te doen op de vermogens van de rechterhersenhelft.
Aldus ontstaat het beeld van een schrijfproces waarbij er een coöperatief over en weer ontstaat tussen beide hemisferen. Rico zegt hierover: ‘In writing naturally, participation of both sides is crucial, the one to give you access to the explanatory sign qualities of clear and unambiguous language as well as the sequencing powers necessary to writing; the other to percieve and express the more evocative design qualities of language as word images, rhythm, recurring pattern, and metaphor, all of which charge a passage emotionally’.
Wel geldt voor Rico steeds: het creatief schrijven begint ‘Rechts’: ‘Risking an analogy, I might say that your Design mind attends to the melody of life, whereas your Sign mind attends to the notes that compose the melodies. And here is the key to natural writing: The melodies must come first’.
?xml:namespace>
?xml:namespace>
2. Oefeningen in creatief schrijven
?xml:namespace>
Als dus in de rechterhersenhelft de creatieve schrijver schuilgaat, terwijl de linkerhelft de werkplaats is van de kritische redacteur, dan is het zaak om beide kanten van het denkproces te leren kennen en daarmee te leren werken. Omdat echter de linkerhersenhelft toch al dominant aanwezig is, focussen creatieve schrijfoefeningen zich vooral op het activeren van de rechterhersenhelft en op de poging om de linkerhersenhelft (voorlopig) buiten spel te zetten.
?xml:namespace>
Clusteren
De methode die Gabriele Rico heeft ontwikkeld voor het (leren) schrijven, is het clusteren of mindmappen: een brainstormproces waarbij je een kernwoord omcirkelt en alle associaties die dat woord bij je oproept als satellieten rond dat kernwoord noteert en ook omcirkelt. Zij noemt dit clusteren de magische sleutel om toegang te krijgen tot je creatieve bronnen: ‘… writers need some magic key for getting in touch with these secret reserves of imaginative power. What we lack is not ideas but a direct means of getting in touch with them. Clustering is that magic key. In fact, it is the crucial first step for bypassing our logical, orderly Sign mind consciousness to touch the mental life of daydream, random thought, remembered incident, image, or sensation’.
De manier waarop – na het clusteren – de wisselwerking tussen beide hersenhelften zijn beslag krijgt, beschrijft zij als volgt: ‘Once you begin writing, you initiate a natural collaboration between the two halves of the brain. Your Design mind has created a tentative whole and has made it accessible to your Sign mind through clustering. Now the very act of setting the emerging parts down in sequence stimulates an ongoing interaction between your Sing and Design minds. (…) This sense of purpose, of knowing what you want to say, not only minimizes the anxiety so commonly associated with writing but also leads to a dynamic and absolutely essential collaboration between the two modes of thought.’
?xml:namespace>
Freewriten
Een andere bekende oefening om bij je creatieve bronnen uit te komen en de censuur van de linkerhersenhelft te snel af te zijn, is het freewriten, onder andere beschreven door Peter Elbow.Bij freewriten moet je al schrijvend je hand blijven bewegen. Niet nadenken over wat je schrijft, maar direct opschrijven wat er in je opkomt. Blijven schrijven zodat het kritische en censurerende deel van je denken geen kans krijgt. Geen aandacht voor correct taalgebruik. Niet teruglezen.
?xml:namespace>
Andere oefeningen
Terwijl bovenstaande twee oefeningen expliciet bedoeld zijn om de creatieve vermogens van de rechterhersenhelft aan te boren, zijn er nog veel andere oefeningen die in hun uitwerking hetzelfde effect hebben. Alle oefeningen die uitgaan van beelden (foto’s, kunstwerken), geluid (muziek), geur, smaak of tastzin, doen een beroep op het direct ervaren (rechterhersenhelft). Ook schrijfoefeningen die een beroep doen op de eigen herinnering, recent of langer geleden, hebben die kwaliteit, evenals oefeningen die bijvoorbeeld atrten bij een moment van verwondering. Tot slot: ook oefeningen die een beroep doen op (steeds verder) detailleren zouden hieronder kunnen vallen.
?xml:namespace>
?xml:namespace>
3. En nu een verhaal
?xml:namespace>
?xml:namespace>
Wat is een verhaal?
Voor het vervolg van mijn betoog heb ik een beknopte definitie nodig van wat een (kort) verhaal eigenlijk is. In mijn cursus gebruik ik de volgende omschrijving: een verhaal is de beschrijving van wat er gebeurt als een personage moeite heeft een probleem op te lossen.
Er is sprake van een personage, de hoofdpersoon van het verhaal. Dat is degene die in het verhaal het meeste op de proef wordt gesteld. Degene die het meeste lijdt onder het conflict, die een wil heeft, een streven om iets te bereiken. Het is degene ook die door het conflict verandert.
Er is dus ook sprake van een conflict. De hoofdpersoon wil bijvoorbeeld iets bereiken maar wordt tegengewerkt. Er is een moeilijke keuze te maken, waarbij iets belangrijks op het spel staat. Het conflict moet acuut en onuitwijkbaar zijn: het moet nú, in dit verhaal, om een oplossing vragen. De hoofdpersoon mag er niet voor weg kunnen lopen. Er móét een beslissing vallen: de crisis of climax. En het conflict moet voortkomen uit het karakter van de hoofdpersoon. Of en hoe de hoofdpersoon het conflict oplost, is de story question.
Een verhaal heeft een plot. Wat er in een verhaal gebeurt moet onderling verband hebben: het moet een keten zijn van oorzaak en gevolg. De hoofdpersoon moet op een of andere manier ‘schuldig’ zijn aan wat hem overkomt.
De beschrijving van wat er gebeurt moet op een ordelijke manier gebeuren. De gebeurtenissen worden vertoond aan de hand van scènes die logisch op elkaar volgen. Er is sprake van een verloop in de tijd. Er moet sprake zijn van een toenemende spanning. Er moet een begin, midden en eind zijn. De gebeurtenissen worden beschreven aan de hand van handelingen, gedachten of in dialoog. Er moet een verteltijd gekozen worden en een vertelperspectief.
?xml:namespace>
R-L-wisselwerking en een verhaal schrijven
Met deze eigenheid van een verhaal in gedachten, lees ik nog eens terug hoe Rico de R-L-wisselwerking beschreef: ‘… Your Design mind has created a tentative whole and has made it accessible to your Sign mind through clustering. Now the very act of setting the emerging parts down in sequence (cursivering door mij, FW) stimulates the ongoing interaction between your Sign and Design minds.’ En dáár nu kom ik als verhalenschrijver aan te kort. Een verhaal schrijven is immers méér dan datgene wat zich vanuit Rechts aandient in een goede volgorde, of in een logisch verband zetten. Hoe verder, als er zich vanuit Rechts geen acuut en onuitwijkbaar conflict aandient? Hoe verder, als er zich geen personage aandient waarin het verhaalidee gematerialiseerd kan worden? Hoe verder, als er zich geen plot aandient in de vorm van een keten van oorzaak en gevolg, in gang gezet door bijvoorbeeld een karakterfout van de hoofdpersoon?
Of anders gezegd: wie voor het schrijven van een verhaal alleen vertrouwt op wat zich vanuit Rechts aandient, kan best eindigen met veel mooie fragmenten, maar dat kunnen bij nader inzien puzzelstukjes blijken te zijn uit verschillende puzzels.
Rico heeft gelijk wanneer zij schetst hoe meerdere autobiografische fragmenten uiteindelijk samen één samenhangend geheel kunnen vormen, maar daar is de schrijver van niet-autobiografische verhalen niet mee geholpen. Wat zich vanuit Rechts aandient, moet mijns inziens op enig moment, wat mij betreft eerder vroeg dan laat, onder de tucht van Links door om te bezien of het verhaalidee de potentie heeft om tot een echt verhaal uit te groeien. Dat wil zeggen: als schrijver moet je nagaan of en hoe een bepaald verhaalidee voorziet in een personage, een conflict en een plot.
?xml:namespace>
Ik blijf het graag eens met de algemene stelling dat voor creatief schrijven een wisselwerking tussen Rechts en Links noodzakelijk is. Ik denk alleen dat er een verschil is tussen het ‘vrije’ creatieve schrijven zoals Rico dat presenteert enerzijds, en het specifieke creatieve schrijven van een verhaal anderzijds. Bij het schrijven van een verhaal heeft Links namelijk veel méér te doen dan alleen te zorgen voor ordening en eindredactie. De inbreng van Links is noodzakelijk voor meer fundamentele kenmerken van een verhaal: personage, conflict, plot en structuur.
Daarnaast blijft Rechts onontbeerlijk. Dat deel van je brein is sensitief voor beelden, archetypes, verbanden, metaforen, symbolen, mythes. Vanuit Rechts kun je schrijven zonder censor, puttend uit je onvervalste eigen bronnen.
?xml:namespace>
In de praktijk van het verhalen schrijven wordt het verschil tussen planmatig (Links) en niet-planmatig (Rechts) schrijven vooral gezien als een de geneigdheid van iedere schrijver. Toegespitst op het verhaalbegin: de een begint pas de tekst van een verhaal te schrijven wanneer vooraf de personages, het conflict, de setting, de plot en de structuur helemaal zijn uitgedacht in een synopsis, in een meer gedetailleerd werkschema of zelfs in een uitgewerkte scèneketting. Als tegenpool geldt de schrijver die zich al schrijvend laat verrassen door zijn personages en die zich vooraf alleen enig idee heeft gevormd over de protagonist en een conflict. Hij weet niet waar het verhaal zal uitkomen. Hij begint te schrijven, is benieuwd waar zijn pen hem allemaal naar toe brengt en gaat pas in latere versies schrappen en structureren. Beide wijzen van aanpak worden in de literatuur beschreven en beide worden even legitiem geacht, in zoverre ze beide kunnen passen bij de eigenheid van de betreffende schrijver.
Hoewel het schrijfproces voldoende complex is om de verleiding te weerstaan het helemaal te willen begrijpen, denk ik toch dat bij ieder verhaal een beroep gedaan wordt op zowel planmatige als niet-planmatige aspecten van het schrijven.
In een of andere vorm, zo is bijvoorbeeld in interviews met schrijvers te lezen, willen schrijvers niet zozeer uitdrukking geven aan datgene wat ze al weten, maar is het schrijven juist een ontdekkingstocht naar wat ze eigenlijk willen zeggen. Niet alleen personages in een verhaal maken een ontwikkeling door, ook de schrijver zelf weet ná het schrijven van het verhaal méér over zichzelf of over het leven dan voordat hij begon te schrijven. Daarom zullen ook planmatige schrijvers in hun schrijven de grenzen van hun weten en hun ervaren verleggen. En dóór alle planmatigheid heen, of juist dóór die planmatigheid, zullen taal, toon en metaforen voor verdieping onder de verhaallijn kunnen zorgen, en dóór alle planmatigheid heen zal het verhaal moeten boeien door personages van vlees en bloed, personages die pas tot leven kunnen komen als de schrijver zich in die personages heeft ingeleefd, tot in het hart van de irrationaliteit van hun emoties.
Anderzijds zullen niet-planmatige schrijvers er op enig moment niet aan ontkomen om hun verhaal te structureren en te redigeren. Een conflict zal acuut, onontwijkbaar en belangwekkend moeten zijn, de gebeurtenissen moeten als oorzaak en gevolg verband houden met elkaar, personages moeten consistent en geloofwaardig zijn, de scènes moeten in hun opeenvolging bijdragen aan het toenemen van de dramatische spanning.
Modelmatig zie ik het planmatig en niet-planmatig schrijven daarom als twee tegenover elkaar liggende posities op een cirkel. Waar je als verhalenschrijver ook begint te schrijven, altijd zul je die cirkel een of meerdere malen moeten doorlopen wil je een goed gecomponeerd verhaal krijgen mét een ‘ziel’.
?xml:namespace>
?xml:namespace>
4. Cursus verhalen schrijven en R-L-wisselwerking
?xml:namespace>
Hoe nu aan het bovenstaande recht te doen bij het verzorgen van een cursus korte verhalen schrijven? Dat was de vraag die ik onder andere in het kader van mijn doestage wilde beantwoorden.
De vraag deed zich al meteen voor aan het begin van de cursus, toen ik overwoog hoe ik mijn cursisten het beste zou kunnen helpen bij het starten met schrijven. Aanvankelijk had ik het idee om de cursus te beginnen met het analyseren van een of meer voorbeeldverhalen om de cursisten dan – eenmaal bekend met de structuurelementen van een verhaal – zelf een verhaal te laten schrijven. Deze methode, zo leerde ik tijdens de opleiding, staat bekend als de literaire methode (literature based method), te onderscheiden van de taalontwikkelingsmethode (language based method) die uitgaat van het taalbewustzijn en het expressieve taalgebruik; schrijven begint volgens deze stroming bij het leren verbeelden in woorden.Inmiddels overtuigd door de noodzaak om bij het schrijven je creatieve bronnen te gebruiken (zie paragraaf 1 en 2), wilde ik ook in mijn cursus proberen om het schrijven met Rechts vanaf het begin te benutten. Ik wilde voorkomen dat ik mijn cursisten in de val van té planmatig schrijven zou laten lopen. En ik hoopte te bevorderen dat het schrijven zou plaatsvinden vanuit een innerlijke betrokkenheid van cursisten in plaats van dat het alleen een technische aangelegenheid zou zijn.
Voor mijn cursus ‘Korte verhalen schrijven’ heb ik bij nader inzien daarom als één van de randvoorwaarden vooraf vastgesteld dat het (leren) schrijven van verhalen noch eenzijdig planmatig, noch eenzijdig niet-planmatig zou dienen te gebeuren. Om die reden heb ik niet alleen gestreefd naar een goede afwisseling tussen de creativiteit stimulerende oefeningen enerzijds en meer op het verwerven van technische vaardigheid en theoretisch inzicht gerichte oefeningen anderzijds, maar heb ik ook gezocht naar mogelijkheden om beide soorten oefeningen zo goed mogelijk met elkaar in verband te brengen.
?xml:namespace>
In het onderstaande vindt u een overzicht van de opdrachten tijdens mijn doestage, gepositioneerd op een lijn met daarop als uitersten respectievelijk de rechter- en de linkerhersenhelft. Oefeningen die bij uitstek een beroep deden op de capaciteiten van de linkerhersenhelft staan links, oefeningen die vooral een beroep deden op de capaciteiten van de rechterhersenhelft staan rechts. Oefeningen die zowel op de linker- als op de rechterhersenhelft een beroep deden, staan in het midden.
?xml:namespace>
|
?xml:namespace> |
Linkerhersenhelft
|
Combinatie
|
Rechterhersenhelft
|
|
1
|
?xml:namespace> |
?xml:namespace> |
Rico-clusteren rond eigen naam
|
|
2
|
?xml:namespace> |
naam personage + karaktereigenschappen
|
?xml:namespace> |
|
3
|
?xml:namespace> |
?xml:namespace> |
freewriten naar aanleiding van beeldkaarten
|
|
4
|
?xml:namespace> |
leidt tot beginzin van verhaal
|
?xml:namespace> |
|
5
|
analyse beginzin: welk conflict dient zich aan?
|
?xml:namespace> |
?xml:namespace> |
|
6
|
?xml:namespace> |
?xml:namespace> |
onderweg naar de les
|
|
7
|
?xml:namespace> |
vieralineaverhaal
|
?xml:namespace> |
|
8
|
huiswerkbespreking: beginscène
|
?xml:namespace> |
?xml:namespace> |
|
9
|
?xml:namespace> |
?xml:namespace> |
bij de kapper
|
|
10
0 |
analyse voorbeeldverhaal
|
?xml:namespace> |
?xml:namespace> |
|
11
1 |
?xml:namespace> |
?xml:namespace> |
dialoog: koek en ei?
|
|
12
2 |
?xml:namespace> |
What if…?
|
?xml:namespace> |
|
13
3 |
huiswerkbespreking integraal verhaal
|
?xml:namespace> |
?xml:namespace> |
|
14
4 |
?xml:namespace> |
?xml:namespace> |
Rico-clusteren naar aanleiding van verhaalclimax
|
|
15
5 |
?xml:namespace> |
samenvatting van eigen verhaal laten schrijven
|
?xml:namespace> |
|
16
6 |
?xml:namespace> |
?xml:namespace> |
prozaspel
|
|
17
7 |
?xml:namespace> |
lokaal beschrijven
|
?xml:namespace> |
?xml:namespace>
?xml:namespace>
Zo heb ik geprobeerd om als het ware door de hele cursus heen op zó’n manier stapstenen tussen Rechts en Links te legen, dat de cursisten in ieder geval met beide denkvormen kennismaakten en ze leerden gebruiken.
Concreet ben ik bij het (leren) starten met een verhaal als volgt te werk gegaan. Ik heb tijdens de eerste les een oefening gedaan met beeldkaarten die op een contextkaart gelegd werden.Dit is en niet-planmatige schrijfoefening waarmee op associatief niveau de zoektocht naar een mogelijk verhaalconflict begint. Na een Rico-cluster naar aanleiding van de beeld-contextcombinatie, volgde een ronde freewriten om te onderzoeken welke inhoud deze combinatie vanuit Rechts naar boven bracht. Naar aanleiding vervolgens van één sterke zin uit het freewriten heb ik iedereen gevraagd om van daaruit als huiswerk een beginzin te schrijven voor een mogelijk verhaal. Een lijst met beginzinnen uit de bestaande literatuur heb ik meegegeven.
Tijdens de volgende les ben ik de gegenereerde beginzinnen gaan analyseren (Links) aan de hand van de vraag in hoeverre ze een mogelijke belofte voor een verhaal inhielden: wat zegt de beginzin over de hoofdpersoon, het mogelijke conflict, de tijd, het vertelperspectief, enz.
Daarna heb ik de beginzin laten gebruiken als uitgangspunt voor wéér een ronde freewriten (Rechts) om te bezien waar de beginzin zoal aanleiding kon geven. Dat stukje freewriten werd ten slotte de basis voor de huiswerkopdracht om te komen tot een eerste verhaalscène.
Het beginnen aan een verhaal was hier dus een fase waarin het niet-planmatige en het planmatige schrijven elkaar afwisselden. Eerst waren nog alle opties open, maar op een gegeven moment kies je voor een formulering, voor een beginzin: je raakt geïntrigeerd door één van de mogelijkheden. Als een wichelroedeloper die in de woestijn het vermoeden krijgt: híér zou wel eens water kunnen zitten! En dan: dat idee beproeven, vragen stellen, kijken of het kan voldoen aan de vereisten voor een verhaal – en je bent aan het schrijven. Je springt van Rechts naar Links, van intuïtie naar compositie en vice versa, later spring je van emotie naar conflict, van personage naar plot, enz.
Later in de cursus (7e les) vond ik het een bijzonder moment toen de complete verhaalversies van iedereen besproken werden. Op grond van een analytische feedback op de verhalen bleek in bijna alle gevallen dat er onder de vertelde verhaallijn eigenlijk een meer intuïtieve verhaallijn verscholen lag: het verhaal zoals men dat eigenlijk wilde vertellen. Een bijzondere ervaring, omdat hier het analytisch vermogen van Links juist transparant kon maken wat vanuit Rechts de onderliggende strekking van het verhaal was.
Een ander bijzonder moment vond ik de oefening waarbij ik medecursisten heb laten Rico-clusteren rond de climax van het verhaal van telkens één cursist. Uit de technische verhaalanalyse bleek dat de climax in het verhaal, het hoogtepunt van het conflict, vaak bijna terloops verteld werd. (Neiging om het scherpste van het conflict te vermijden?) Omdat de tekst op dat punt verdieping kon gebruiken, heb ik juist rond dat moment in het verhaal door medecursisten een Rico-cluster laten maken: wat is volgens hen de emotionele lading van dat moment. Welke woorden, gedachten, gevoelens zouden op dat moment een rol spelen? Die input kon de betreffende auteur vervolgens thuis gebruiken voor een herschrijfronde. Ook een mooi voorbeeld van R-L-wisselwerking, vond ik.
?xml:namespace>
?xml:namespace>
5. Ten slotte
?xml:namespace>
Zo heb ik door de cursus heen geprobeerd om de cursisten te leren om van Rechter stapsteen naar Linker stapsteen te springen, en om beide denkvormen in onderlinge wisselwerking te leren gebruiken. Er loopt nooit een rechte weg van verhaalidee naar eindproduct. Een schrijver zoekt via trial and error zijn weg door het verhaal, nu eens met de creatieve, symbolische input van Rechts, dan weer met de analyse en het ordenende overzicht van Links.
Voor het schrijven van een verhaal is er niet één weg. En er is ook geen weg zonder ongemak. Er ligt geen asfalt. Er is altijd onzekerheid. Schrijven is een waagstuk. Er is tussen Rechts en Links altijd een zekere onoverbrugbaarheid, net zoals die er is tussen verhaalidee en eindproduct. Een schrijver moet sprongen durven wagen.
Dat is dan ook wat volgens mij een cursus verhalen schrijven óók moet leren: sprongen maken. Schrijven blijft magie. Als docent hef je niet méér te willen dan goede stapstenen leggen voor cursisten om hun eigen pad te vinden. Ieder denkvermogen, Rechts en Links, heeft op een bepaald moment in het schrijfproces zijn eigen relevantie. Als docent kun je ervoor zorgen dat ze allebei afwisselend en waar mogelijk in samenhang aan bod komen. Zo kunnen cursisten ervaren dat beide denkvormen recht van bestaan hebben, omdat ze elk hun eigen, onvervangbare bijdrage aan het schrijfproces leveren. Een cursist moet op stapstenen durven vertrouwen. Moet de sprongen van Rechts naar Links, telkens een stukje vooruit, leren maken.
?xml:namespace>
Belangrijk in het leren schrijven is hoe dan ook dat je durft te beginnen. Ook al is er geen eindstreep in zicht – dat einde is juist wat je al schrijvend moet ontdekken. Dat einde, de afloop is per definitie vaag. De weg naar het einddoel bestaat uit stapstenen. Je moet van Rechts naar Links springen en weer terug. Sommige stenen zijn glad, of liggen los. Niet altijd haalt een verhaal de eindstreep. Er valt er wel eens eentje in het water. De meest nabij gelegen steen is helder – je ziet alle details – je voelt of je stevig genoeg staat voor een volgende sprong. Je kunt de volgende steen zien liggen. Je kunt de afstand schatten, zien of hij stroef of glad is, of er water op staat. Moet je een grote sprong maken of juist voorzichtig aan doen? Zo creëer je – stap voor stap beslissingen nemend – de weg al schrijvend. Je kunt nu nog niet zien welke beslissingen allemaal nog nodig zijn. Bewaar je evenwicht. Vertrouw op de overkant. Overal liggen stenen.
Bockhoven, C. van (1999). Je weet niet wat je schrijft (pp.104-105). Amsterdam: Stichting Schrijven.
?xml:namespace>
|